Pompnet, dé website over insulinepomptherapie

Kinderen en een insulinepomp

Dat verschilt per kind. Veel kinderen wennen aan het verwisselen en laten dit na verloop van tijd rustig doen. Als kinderen bang zijn, of heel beweeglijk, kan het prettig zijn om hulp te krijgen om uw kind wat af te leiden of vast te houden. Blijft uw kind het lastig vinden, dan kunt u Emla crème gebruiken om de inbrengplek te verdoven.

Zeker jonge kinderen dragen de infuusset vaak op hun bovenbil. Dat is een minder gevoelige plek en bovendien is het verwisselen van de infuusset makkelijker, omdat ze het inbrengen van de naald niet zien. Oudere kinderen dragen de infuusset ook wel op hun buik.

Het eetgedrag van jonge kinderen is onvoorspelbaar: soms eten ze wel, dan weer niet of slecht. Het voordeel van de insulinepomp is dat er geen langwerkende insuline in het lichaam zit die zorgt voor lage bloedglucosewaarden als een kind echt niet wil eten. Kunt u voor de maaltijden moeilijk inschatten wat uw kind daadwerkelijk aan koolhydraten zal binnenkrijgen? Bolus dan pas na de maaltijd. Dit voorkomt dat u andere zoete etenswaren moet geven om een hypo te voorkomen.

In het begin zal het wat vreemd zijn voor uw kind om met de pomp te slapen. Toch wennen de meeste kinderen er vrij snel aan. Het is goed als u samen met uw kind bekijkt wat een prettige manier is om de pomp 's nachts te dragen. Dat kan bijvoorbeeld aan een band om de buik die met klittenband vastzit. U kunt ook een hoesje maken dat in de pyjama genaaid kan worden, bijvoorbeeld een washandje. Er zijn ook kinderen die de pomp gewoon los in bed laten liggen.

Dat kan, maar als uw kind nog niet zelfstandig kan meten, spuiten of bolussen is het belangrijk dat er iemand is die de insuline kan toedienen en de bloedglucosewaarden kan meten. Prettig voor de logeerouders. Uit de praktijk blijkt dat het leren toedienen van insuline met een pomp makkelijker gaat dan het leren spuiten van insuline met de pen.

Ja, dat kan zeker. Het beste is om tijdens het sporten de insulinepomp af te koppelen. Er blijft dan alleen een pleister zitten met de teflon canule. Wilt u of uw kind de insulinepomp liever niet afkoppelen? Zorg er dan wel voor dat uw kind geen hypo krijgt tijdens het sporten. U kunt uw kind vooraf extra koolhydraten geven of de basaalstand verlagen. Overleg dit wel met uw zorgprofessional.

Het kan voorkomen dat de pleister toch loslaat of dat de canule een keer dubbel knikt. Bij een geknikte canule komt de insuline niet meer goed het lichaam in. U zult dat merken aan de hoge bloedglucosewaarde van uw kind. Als dit vaker gebeurt kunt u er ook voor kiezen om het infuussetje standaard na het sporten te verwisselen. 

Natuurlijk, de diabetes mag dat niet in de weg staan. Er is wel wat voorbereiding en overleg nodig, maar dat geldt net zo goed voor kinderen die insuline spuiten met de pen. Enkele tips:

  • Vertel de ouders van klasgenootjes/vriendjes dat uw kind diabetes heeft. Het is prettig als u weet wat uw kind gaat doen op het feestje en welke traktaties het krijgt. Dan kunt u daar de insulinedosering op aanpassen.
  • Zorg dat er iemand aanwezig is die weet wat diabetes is en die een hypo kan herkennen.
  • Zorg dat u zelf goed bereikbaar bent voor overleg.

Dat is afhankelijk van de insulinepomp, want niet alle pompen zijn waterdicht. Is de insulinepomp van uw kind niet waterdicht, dan is het noodzakelijk om de pomp af te koppelen.

Het is lastig om hier een gemiddelde leeftijd voor te geven, want dat is per kind verschillend. Als ouder kunt u spelenderwijs kijken wat uw kind al kan. Bij jonge kinderen wordt aangeraden het toedienen van insuline altijd te doen onder toezicht van een volwassene. Voor de zekerheid kunt u een maximale bolushoeveelheid instellen, zodat uw kind nooit meer dan een bepaalde hoeveelheid insuline kan toedienen. Overleg dit vooraf met uw zorgprofessional.

Net als bij het insuline spuiten is het belangrijk dat op school de leerkracht weet:

  • Wat diabetes is.
  • Wat een hoge bloedglucosewaarde is en waar men dat bij uw kind aan merkt.
  • Wat een lage bloedglucosewaarde is en waar men dat bij uw kind aan merkt.
  • Wat te doen bij een hoge of lage bloedglucosewaarde.
  • Hoe men de bloedglucosewaarde meet en wat de waarde betekent.
Daarnaast is het bij pomptherapie belangrijk te weten:
  • Hoe men een bolus geeft.
  • Hoe de insulinepomp bij een hypo moet worden gestopt.
Is het gebruikelijk om een leerkracht te vragen de insulinepomp te bedienen?
Per school is het afhankelijk van de leerkracht hoe die hiermee om gaat. Er zijn diabetesteams die op school komen om een instructie te geven en zo de leerkracht vertrouwd te maken met de insulinepomp. Er is een speciale website over diabetes op school. U vindt hier informatie en tips over hoe u uw kind goed voorbereid naar school kunt laten gaan. Leerkrachten en begeleiders vinden op deze site adviezen over wat zij kunnen en mogen doen voor kinderen met diabetes.

Kijk op: www.diabetesopschool.nl

Bij ziekte heeft het lichaam vaak juist meer insuline nodig, zelfs als er minder gegeten wordt. Stop daarom nooit de insulinepomp als uw kind een tijdje niet eet; de basale insuline blijft nodig. U kunt het beste met uw zorgprofessional overleggen over de dosering. 

Tijdens het spelen kunt u de insulinepomp afkoppelen, maar dat is meestal niet nodig. Ook met een insulinepomp kan uw kind lekker rennen, ravotten en spelen in de zandbak. Een paar tips:

  • Een extra pleister, bijvoorbeeld van Tegaderm, over de infuusset zorgt ervoor dat de pleister van de infuusset minder snel los gaat of dat er zand onder de pleister komt. Een extra bescherming zodat uw kind niet na elke keer buitenspelen de infuusset hoeft te vervangen.
  • Gaat uw kind lang buitenspelen controleer dan voor het spelen de bloedglucosewaarde, en het liefst ook nog halverwege de middag. Spelen kan intensief zijn en zeker bij warmer weer kan de bloedglucosewaarde snel dalen.
  • Als uw kind graag in de zandbak speelt, is het verstandig om de insulinepomp te beschermen met een goed afsluitbaar hoesje.

Traktaties zijn vaak een moeilijk moment voor een kind met diabetes. En ook voor de ouders. Want u wilt vast ook het liefst dat uw kind gewoon kan meedoen en zich niet anders voelt dan de klasgenootjes. Dat kan vaak ook, met een paar goede afspraken…

  • Met de school. Zo is een traktatie rond 10.00 uur voor een kind met diabetes het beste tijdstip. Dat is meestal ook de tijd voor een tussendoortje.
  • Vergelijk de koolhydraten van de traktatie met het ‘gewone’ tussendoortje; komt dat ongeveer overeen, dan kan uw kind de traktatie nemen en het eigen tussendoortje mee naar huis nemen. Als hulpmiddel kunt u een traktatielijst met koolhydraten aan de school geven zodat de leerkracht mee kan rekenen. Die staat onder andere op de website Diabetesopschool.nl. Deze kunt u zelf aanvullen met favoriete traktaties.
  • Vraag ouders van het jarige kind u vooraf te informeren over de traktatie. Dan weten u en uw kind waar u aan toe bent en kunt u indien nodig maatregelen nemen.
Kan uw kind al zelf de koolhydraten tellen? Dan is dat heel prettig. U kunt afspreken hoeveel extra insuline er nodig is voor de traktatie.